Oefeningen in afscheid
Het zal de herfst zijn. De mist en het regengordijn die een mens verhinderen om ver te kijken, waardoor hij van de weeromstuit in zijn eigen kop belandt.
Een vriend vertelde mij onlangs dat zijn vriendin tijdens het windowshoppen verleid werd door een paar laarsjes. Het was liefde op het eerste gezicht en ze werd dan ook meteen geconsumeerd. ‘Het waren van die sexy dingen,’ zei mijn vriend, ‘waar de gemiddelde vrouwenkuit wat strakker van gaat staan en die door een onzichtbaar spel van pezen en spieren ook de kont wat prominenter aftekenen.’ Hij had het schouwspel bij haar thuiskomst mogen gadeslaan. Net zoals de kuiten zelf vinden mannen dat spannend. Toen mijn vriend dat ook eerlijk opbiechtte, is er in zijn vriendin iets geknapt. De laarsjes zijn sindsdien niet meer uit de verpakking gekomen. Ze was bang dat ze de volgende keer bij het windowshoppen de verkeerde signalen zou uitsturen. Een paar weken later had hij een meisje ontmoet met exact dezelfde laarsjes. Toen hij thuiskwam en zijn vriendin kuste, flitste een nanoseconde lang een zin door zijn hoofd: ‘Ik heb een meisje gezien dat haar laarsjes wel draagt en ik ga jou voor haar verlaten.’
Het was weer eens tijd om de dakgoot uit te kuisen. Elk jaar in november. De bladeren zijn dan van de bomen geblazen, de boom heeft de dode takken van zijn lijf geschud en wacht naakt op beter. Van die romantische fallout geraakt de afwatering echter danig verstopt, wat naar verluidt voor onnoembare ellende kan zorgen voor het vastgoed en zijn bewoners. Ik doe mijn trouwring uit omdat ik zo dadelijk met mijn blote handen in de al half vergane, organische blubber moet dreggen. Akkoord, een goed huwelijk moet tegen wat rottigheid bestand zijn maar uit ervaring weet ik dat mijn vingers snel onderkoeld raken, waardoor ze sneller gaan krimpen dan het edelmetaal dat er zeven jaar geleden rond werd gesmeed. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het niemendalletje daardoor verlies. Terwijl ik mijn ringvinger van zijn versiering ontdoe, zie ik Fré kijken. Wat denkt ze nu, denk ik.
In een stad schuift een vrouw spiedend van gevel tot gevel. De straatlantaarns werpen haar schaduw en die van het kind dat ze tegen haar borst drukt schichtig op de geparkeerde auto’s. Ze lijkt bang. Bang van het licht en bang van haar schaduw. Plots blijft ze staan bij een verlaten bushok. De angst ebt weg, het geluid valt weg, de adem stokt. Waar denkt ze aan? Aan de walm van liefde en sigaretten? Aan de korte tijd dat ze ondanks alles samen waren? Aan hoe het verder moet? Ze schikt de deken. Minutenlang. Misschien kust ze het kind. Maar stapt dan resoluut verder: nog een eind, het portiek in, de schuif open. Het ga je goed, kind. Ik hou van je. En ze verdwijnt.
Het zal de herfst zijn.
Labels: column