Tijd zat
Het gaat gebeuren. Fré en ik staan in de mercado van de plaza Corredera voor een groentenkraam als mijn telefoon overgaat. ‘Eindelijk een zelf ineengedraaid slaatje’, droom ik. De voorbije week hadden we bij 37 graden in een studentenkot onder de pannen gewoond. Zonder keuken of koelkast maar inclusief de woekerprijs. In vergelijking daarmee was Nina’s couveuse op de neonatologie een geairconditioneerde suite. Mei is topmaand in Andalusië en zelfs de luizige hotels zitten dan vol. Opnieuw bleek onze geboorteplanning dus niet bijzonder geslaagd. Even had ik gevreesd dat we week vijf in Spanje onder een brug over de Guadalquivir zouden doorbrengen, tot Andrés plots van achter een pijler opdook. Van alle mensen die ons de voorbije weken geholpen hadden, was hij ongetwijfeld de meest bemiddelde. Een zakenman met een kruisbeeld links en de foto van Juan Carlos rechts naast zijn desktop. ‘Je krijgt het gloednieuw studiootje niet voor de helft, niet voor een derde, niet voor een vijfde maar voor de prijs waarvoor iemand met een gewoon verhaal vijf nachten van deze luxe mag genieten. Jullie mogen het een hele maand gebruiken!’ Ongetwijfeld zou Andrés met het verhaal over het gestrande koppel en hun drie maanden te vroeg geboren baby flink scoren op het volgende diner van de Rotary, maar wij konden de komende vier weken toch maar mooi bedauwde tomaten in een propere kom gooien!
‘Jullie kunnen naar huis’, zegt een stem. ‘De dokters van het Reina Sofia en die van het UZ Gent zijn het eens: Nina is er helemaal klaar voor.’ Fré wijst naar een berg tomaten en steekt vier vingers in de atmosfeer. De verkoopster lacht. ‘We hebben meteen al een Oostenrijks medisch team gevonden dat gespecialiseerd is in de repatriëring van premature baby’s.’ En een krop sla, toont Fré. Ik hoop dat ze vervolgens ook nog naar de olijven gaat wijzen. En naar die courgettes, de pijpajuintjes. ‘Ze vliegen vanuit Innsbruck met een medisch vliegtuig. De jet landt bij goed weer in Córdoba en vliegt dan naar Wevelgem.’ – ‘Het is hier bloedheet’, meld ik. Fre koopt ook sinaasappels als dessert. Ik probeer haar aandacht te trekken. ‘Mocht het toch niet lukken, dan vliegen ze naar Sevilla. Maar ook dat is geen probleem’, zegt de stem. ‘Aangezien er maar één van jullie mee kan op het ambulancetoestel, hebben we ook al een ticket geboekt op een SN-vlucht.’ Fré draait zich boos om. Haar armen hangen vol zakken. Dit is nu niet het moment om te gsm’en, bliksemt ze. ‘En wanneer moet dat dan allemaal gebeuren’, vraag ik met een porseleinen stem. Bang dat ze gaat breken. ‘Morgenmiddag.’ – ‘Mijn vrouw heeft net tomaten gekocht’, stamel ik. ‘Mooi,’ lacht het meisje van de alarmcentrale, ‘tijd zat voor een slaatje.’
Labels: column