Placier: the coming back
En zeggen dat ik nu uit zo een superdeluxemegadouche annex stoombad zou moeten stappen. Dankzij mijn panoramisch venster op de eerste verdieping had ik mijn blik vervolgens over de groene arena, via de Kerf, richting Grote Markt kunnen sturen. (‘De Kerf’, manmanman wie bedenkt het. Het kan door mijn stramme botten komen, maar toen burgemeester Dupont die naam voor het eerst liet vallen, moest ik spontaan aan de rubberproductie in Maleisië denken en aan wendbare haken in het plafond.)
Maar, in de plaats daarvan, waar sta ik? U zoude eens mogen komen kijken, ware het niet dat ik momenteel maar mijn eigen blote zelf ben. Ik heb mij net gewassen middels een kantelbare aker in het bijkeukentje van mijn ouderlijke woonst. Heel mijn actieve loopbaan als herbergier heb ik hier, in dit putje, het bakje geledigd waarin de tapkraan heel de dag geduldig had gedrupt. Ik moet al over mijn schouder in de gebarsten spiegel kijken wil ik een beetje van een kerf zien. Maar dan nog! Dan zie ik vooral het leegstaande pand, aan de andere kant van de Ferrantstraat, waar de gebroeders Debusschere decennialang de naakten hebben gekleed. Ikzelf sta te beven van de kou, want het raam sluit al niet goed meer sinds ik tien jaar geleden de deur van dit huis achter mij heb dichtgetrokken. Voorgoed had ik gedacht. Tot Luc Dupont in mei dus aan mijn gsm hing.
‘Placier,’ schreeuwde hij, een draai of vijf strakker opgewonden dan hij zijn schandknaap André Bellinck ’s morgens opdraagt, ‘Placier, Ronse gaat verrijzen uit de vergetelheid. Straks komt er weer rook uit de schouwen! Ik weet niet waar eerst begonnen. Ik wil een nieuwe industriezone bouwen waar Victor Horta nu al nijdig over loopt, de verf voor de wegmarkeringen van de RRR is besteld en ik ga de textielbaronnen reanimeren. Maar bij wijze van geste en om te vermijden dat Catherine Van Ongevalle zou zeggen dat ik een mercantiele freak ben, ga ik een fabriek slopen om plaats te maken voor een Plopsaland voor de schone kunsten. Ge begrijpt dat ik u nodig heb.’
‘Excuseert dat ik u onderbreek,’ heb ik geopperd, ‘maar wat betekent RRR? Gij begrijpt toch dat ik mijn oude dag in Oostende doorbreng en ik het Ronsisch een beetje verleerd ben.’
‘De Ring Rond Ronse, goede vriend, onze persoonlijke Oosterwáálverbinding met het buitenland. Verstaat ge? Ik heb dat zelf uitgevonden. Ik ben wreed voor moderne namen. Terwijl ze in Antwerpen chicaneren over hoe hoog ze die betonnen fly-over rond hun stad precies willen, gaan wij die gewoon realiseren. Een staaltje van technisch vernuft waardoor het zal lijken dat de tientonners boven de Maagd van Wittentak zullen zweven. De spanning tussen ons deemoedig verleden en onze onmiskenbaar glorieuze toekomst. Dát geeft onze stad een nieuwe impuls, dát trekt vers volk aan… Wat was ik aan het zeggen?’
‘Het stadsbestuur zou de textiel nieuw leven willen inblazen.’
‘Het stadsbestuur? Heb ik stadsbestuur gezegd? Mijn kloten! Toen de sossen mij vorig jaar in oktober beloofden dat ze in de nieuwe coalitie veel zouden werken, zijn ze er wel gladjes vergeten bij te zeggen dat ze bedoelden: na hun uren en aan hun eigen lofts. En Rudi Boudringhien, daar kunnen we kort over zijn, die zegt ook dat hij mij gaat helpen. Het zou mij zelfs niet verwonderen dat hij intussen zelfs al schepen af is.’
‘Neen, ik moet het weer zelf doen. En ik zal het grondig doen. Reboosten, gelijk ze zeggen in het Engels. Ik ga mij niet meer bezighouden met de Ronsische textielbaronnen. Nee, ik ga de textielbaronnen van héél België hospitaliseren. Jaren aan een stuk hebben ze met ons gelachen. In de Vlaanders omdat we onze deur openzetten voor de arme luizen uit de Walen en in de Walen… ook. Maar ik zweer het u, er gaan de komende jaren nog veel Willy Naessens’ komen smeken om een keer aan onze vetpot te mogen likken.’
‘Luc, ik ben blij voor u’, heb ik toen nog gezegd, ‘maar als ik nu niet naar beneden ga, dan gaan de zusters mijn noeneten aan de illegalen geven die naar Engeland willen varen. Ik krijg hier kost en inwoon met zicht op zee, maar ik moet een beetje naar hun pijpen dansen.’
‘Onnozelaar,’ heeft de burgemeester mij toen genoemd, ‘sinds wanneer zijt gij de marionet van de nonnen? Wat zit gij daar te doen in Oostende? Wilt gij ook een museum misschien, gelijk Delmotte? Hier hebben we u nodig. Kijk, ik ga er niet over memmen, ik doe u een nieuw appartement cadeau op de Kloef… Wat zeg ik: in de Tuin van Tosca. Ik moet nog een beetje wennen aan de naam die ik zelf uitgevonden heb! Ik heb er een i-Pod Nano mee gewonnen, in de wedstrijd die ik zelf uitgeschreven had. Ben ik goed of ben ik beter? Ik heb trouwens ook een Hollander gevonden die voor een prijske de bomen wil planten, een kerf wil graven en het gras wil zaaien. Tussendoor bouwt hij ook nog eens 230 huizen met een supersonische douche, een gevel om een plakkaat ‘te huur of ‘te koop’ aan te hangen, een cisterne voor het regenwater en een sceptische put. Kwestie dat uw vuil water niet naar den Bruul stroomt.’
‘Ziet dus dat ge hier weer staat! Het moet gedaan zijn met die Ronsische braindrain. Die mensen aan de kust gaan het niet blijven tolereren dat al die vreemdelingen zich daar komen integreren. Het is hier dat we u nodig hebben. Er zal volk nodig zijn om al die tweeverdieners van buiten de stad te leren hoe ze zich als echte Ronsenaar moeten gedragen.’
‘Zijt ge nu niet een beetje aan het overdrijven, burgemeester’, heb ik toen nog gevraagd. Maar Dupont had de telefoon al dichtgesmeten. Drie dagen later zat ik op het bankje voor de burgemeester zijn kabinet mijn toer af te wachten. Ik vroeg aan de mevrouw naast mij of ze ook een appartement cadeau had gekregen, maar ze verstond mij niet. En voor ik het kon uitleggen, ging de deur open en kwam de burgemeester buiten.
‘Placier, ik ben blij dat ge hier zijt’, zei hij. ‘Ge moogt subiet bij Pol Kerckhove gaan voor de verdere regeling. Als er anders nog iets is, moet ge maar de overlastambtenaar bellen. Laat Linda gerust, ze heeft niet graag dat ze gestoord wordt als ze bezig is met het Hermes Belevingscentrum. En over enkele maanden kunnen we uw problemen ook online oplossen, op onze nieuwe website. Virtuele problemen; ik ben daar een ongelofelijke voorstander van. Dat is nieuw, dat is modern, dat verlegt onze grenzen.’
En hij verdween weer in zijn bureau.
Meteen bij de schepen van Financiën. Het leek de goede kant op te gaan. Waarschijnlijk ging Pol mij uitleggen waar de sleutel lag, wie om halftwaalf mijn eten zou brengen en wie ‘s vrijdags de douche zou komen kuisen. Een Poolse misschien of nog een Hollander, met dienstencheques.
Zijn deur stond open.
‘Ik ben Placier, uit Oostende’, riep ik.
‘Als ’t voor een leefloon is, ben ik niet thuis’, riep Pol terug. ‘Dat gaat niet op. Eerst komt Vande Lanotte hier ons Nedia opvrijen en in de plaats stuurt hij één van zijn aangespoelde OCMW-trekkers. Als ge wilt blijven, kameraad, zult ge moeten werken. Kunt gij werken?’
Ik vond de oude Kerckhove, veel gemanierder.
‘Meneer de schepen’, heb ik geantwoord. ‘Mijn horeca-aangelegenheid was hier al een cultuurtempel toen gij, in het spoor van uw vader, nog uw eerste kerk moest bezoeken. Ik heb heel mijn leven de middenstand gediend. Ik verdien daarvoor respect. Geef mij dus de sleutels van de Tuin van Tosca, zoals uw burgemeester mij beloofd heeft, en ge zult van mij geen last meer hebben.’
Het gezicht van Kerckhove klaarde op.
‘Gij komt dat spel onderhouden?!’, kraaide hij verbaasd. ‘Dupont is fenomenaal. Hij denkt werkelijk aan alles. Een park van elf hectaren… Ik dacht eerst dat hij zot geworden was. Als de laatste vierkante meter gras aan het hospice af is, staat het aan de Verlorenstraat alweer een kont hoog. Dat park gaat ons renueren, heb ik hem gezegd. En ziet, hij vindt een gepensioneerde middenstander die een bezigheidstherapie zoekt. Ware het niet dat hij er in 2012 mee stopt, ik zou er voor stemmen.’
Toen ik vervolgens duidelijk maakte dat ik al heel mijn leven huiver bij de gedachte dat ik een vinger in de wereldbol zou moeten steken en ik bijgevolg niet de juiste competenties kon voorleggen, heeft de schepen van rechtswege mij als voorzitter van het OCMW voorgesteld om bij te springen in de buitenschoolse kinderopvang. Vervolgens heb ik mij uit schrik opgesloten in mijn bouwvallige familie-eigendom. Zo zot heb ik ze hier nog nooit geweten.
Labels: Placier, ronse
Loslaten
‘Growing up, being wild.’ Seppe wou deze ochtend zijn rode t-shirt aan met dat gemeen kijkend ventje tussen de tepels. Ik begin te vermoeden dat hij de voorbije maanden stiekem heeft leren lezen. Niet dat hij voor het slapengaan al de jongste Brusselmans beduimelt maar deze week ging hij met zijn kleefvingers toch al de chroomletters op de kont van een dure Duitser te lijf. ‘ESP’ stond er en hij beweerde dat het zijn naam en bij uitbreiding ook zijn auto was. Omdat ik zelf weinig ervaring heb met chroomletters (de mijne zitten altijd onder de modder) sleurde ik de combinatie door Google. Bleek dat het een elektronisch stabiliteitsprogramma betrof. Een chip dus die ze tijdens de assemblage van mijn zoon beslist zijn vergeten in te planten. Seppe is niet stabiel. ’s Morgens aan de ontbijttafel is hij tergend traag en voor de rest gaat hij veel te snel.
‘Ik ga met Marthe trouwen’, beweert hij bijvoorbeeld. Marthe is de blonde stoot uit zijn klas, die er dreigt voor te zorgen dat mijn zoon een vorm van bindingsangst zal mislopen, waar elk beetje gezonde jongeling het jongste decennium mee heeft gekampt. Deze zomer tijdens zijn verjaardagsfeestje voerde hij haar chocoladetaart op een manier dat ik voor haar lijn begon te vrezen. En toen haar mama vorig weekend vroeg of Seppe op de gele snipperdag mocht komen spelen, wist ik dat ik hem weer een beetje meer zou moeten lossen. Ze hebben een hele namiddag van kokeneten gespeeld in het poppenhuis. Marthe heeft pannenkoeken gebakken en de zoetigheid die daarmee gepaard ging, blijft nadruipen. ’s Anderendaags stond zijn eerste-date-ooit hem op te wachten aan de schoolpoort. Ze had de t-shirt aan die hij haar cadeau had gedaan. Seppe heeft haar hand gegrepen en vervolgens zijn ze door de pas geïnstalleerde kus- en knuffelzone van de speelzaal gezweefd. Ware het niet dat het de blauwe dag was, het had zonder problemen de roze kunnen zijn.
In afwachting dat een of andere supernanny mij geruststelt dat er niets fundamenteel fout is, klamp ik mij vast aan een paar andere gedragskenmerken. Hij voorziet alle kinderliedjes van een nieuwe tekst, waar woorden in voorkomen die met het laatste eind van de spijsvertering te maken hebben. Voor iemand die op het punt staat in een vaste relatie te stappen, lijkt mij dat alvast behoorlijk kinderachtig. Bovendien viel het mij op dat hij heel handig is met poppen, meer bepaald met het coifferen van hun hoofdhaar. In Marthe haar plaats zou ik mij ernstig vragen stellen!
Misschien dat zijn zus hem de komende tijd weer een beetje op het rechte pad kan brengen. Meisjes zijn naar het schijnt sneller volwassen. En dat is met Nina niet anders. Vandaag gaat ze het huis uit. Na bijna zes bewogen maanden, weg vanonder moeders rokken. Naar de crèche.
Labels: column, nina, seppe, verliefd