Haar haar
Mijn vrouw wil al sinds ik haar voor het eerst heb ontmoet een ander kapsel. Ik moet toegeven dat ik daar aanvankelijk bijzonder ongerust in was. Uiteraard was ik er volledig van doordrongen dat de buitenkant verwaarloosbaar moet zijn en een eeuwigdurende relatie alleen maar kan gebouwd worden met bakstenen van wederzijds vertrouwen en respect en liefde en zo. En seks uiteraard. Maar ik herinner mij dat ik uiterlijk op dat ogenblik toch ook een zeker belang toedichtte. Al was het maar omdat ik het handig vond dat ik mijn lief tenminste een beetje vanop afstand, of midden in een drom vriendinnen op een festivalweide, zou kunnen onderscheiden. Stel je voor dat ik die lekkere blonde Ayco per abuis en vol goede bedoelingen had binnengedaan omdat Fré zich zonder te verwittigen onherkenbaar had verkapt. Er waren gegarandeerd vodden van gekomen.
‘Ik wil iets anders’, zei ze, een boodschap die ik niet eerder dan na vijf jaar echtelijke trouw had verwacht, maar het sloeg dus gelukkig maar op haar haar. Ondertussen staan er zeven jaar huwelijk op de teller en wil ze nog steeds iets anders. Mijn ongerustheid is echter ondertussen nagenoeg volledig verdwenen. Haarcrisissen doen zich sindsdien immers steeds volgens hetzelfde scenario voor. Als ik haar, ’s morgens tijdens het brushen, voor de spiegel hoor zuchten, dan weet ik dat er een paar tellen later een schreeuw als van een getergd diertje volgt. Ik schrik dan even omdat ik doorgaans aan het natscheren ben en de halsslagader dien te ontzien, maar weet heel snel wat mij te doen staat. Ik moet heel ongerust vragen wat er scheelt en zij moet dan antwoorden dat er ‘niets mee aan te vangen’ is. In de dagen die volgen, worden van overal glossy magazines aangesleept. Ik vind dat heerlijk want ik mag ook graag bladeren in die boekjes, maar geef dat node toe. Als ik mij echter met een paar van die dingen in een daartoe voorziene ruimte terugtrek, moet ik vaststellen dat er overal gaten in geknipt zijn. Ik geef dan op mijn beurt een schreeuw van een getergd diertje, waarna zij ter verschoning zegt dat ze een paar kapsels gevonden heeft die ze echt mooi vindt. Vervolgens mag ik de ontbrekende delen alsnog in de ogen kijken. Doorgaans ben ik minstens over de snit van Gwyneth Paltrow razend enthousiast. ‘Meen je het’, vraagt Fré dan verrast en een beetje opgewonden en ik zeg dan: ‘Ja’.
Als ze terugkomt van bij Vanessa, krijg ik niet eens de kans om iets op te merken. ‘Het kon niet met mijn haar’, zegt ze steevast al van in het deurgat. Kwestie van wat voor commentaar dan ook voor te zijn. En ik antwoord dan bij wijze van troost dat die Paltrow een trut is. Het is altijd hetzelfde.
Labels: column, fré, gwyneth paltrow