'Come on baby, let's go!'
Op 27 april was ze daar plots. Ze nam alles en iedereen in snelheid. De natuur, de dokters, de drukker van de geboortekaartjes, de zoektocht naar haar eigen naam en vooral de gebruikelijke opeenvolging van gevoelens. Want is zoiets als vreugde wel gepast als je kind drie maanden te vroeg wordt geboren?
We hebben nog zeeën van tijd om een naam te zoeken. Er kan gerust nog een reisje van af. Liefst samen met Seppe (2). Kunnen we hem in alle rust voorbereiden op een nieuwe fase in zijn leven: die van grote broer van een kleine zus. De zoektocht naar een leuke studio in Andalusië, waar we met zijn drieën vijf dagen kunnen verblijven, loopt echter niet van een leien dak. Verandering van de plannen dan maar: Seppe blijft bij de oma’s en het reisje is de laatste keer dat we alleen met zijn tweeën kunnen zijn, vooraleer het huis te klein wordt.
‘Mag jij nog wel vliegen?’ wil iedereen weten van Frédérique. ‘Ja dat mag’, zegt de gynaecoloog. ‘De zwangerschap verloopt zonder problemen en je bent nog geen dertig weken ver. Voor sommige luchtvaartmaatschappijen is dat de limiet.’
We mijden de costa’s en komen terecht in een zee van olijfbomen. Onze huur-Clio hijst ons naar het dorpje Iznájar, bij een Vlaams koppel dat hier het geluk is komen proeven. Hun Andalusisch ontbijt is een ontdekking en ze wijzen ons de weg naar Córdoba, de stad waar christenen, joden en islamieten eeuwenlang de verdraagzaamheid beoefend hebben. Maar tolerantie is niet aan de orde als we de stad binnenrijden. Het verkeer is een chaos. We parkeren uiteindelijk in de schaduw van het ziekenhuis van het Rode Kruis. ‘Je weet maar nooit’, denk ik en ik wis de gedachte onmiddellijk.
Córdoba is té oud en de winkelstraten té uitnodigend voor een dagtrip. Hier moeten we ooit terugkomen. ‘Ik moet dringend nog een zwangerschapsjurk hebben’, meldt Fré. ‘Mijn buik groeit uit alles wat in mijn kleerkast hangt.’ Gelukkig staat Sevilla meer op haar strepen als shoppingstad.
O wee
De volgende dag. De hoofdstad van Andalusië ligt twee uur en alweer een verkeerschaos verder. Fré duikt de winkels in en ik beklim de toren van de kathedraal. Als ik haar een paar uur later terugzie, moeten er knopen doorgehakt worden over de kleur van schoenen (‘die groene’), de lengte van een kniebroek (‘die tot aan de knie’) en de kleur van schoenen (‘die gele dan’). Na een frisse
cerveza stappen we de Clio in en zoeken we ons een weg uit het stratendoolhof.
‘Als de lucht opentrekt, dient de rest van de vijfdaagse om vanop een zetel aan het zwembad te kijken hoe de olijven hier groeien’, zucht Fré.
‘En ik wil eindelijk eens verdwalen in zo een olijfgaard’, herhaal ik. Maar zover komt het niet.
Een half uur later doorbreekt Fré het geluid van rubber op asfalt.
‘Het lijkt wel alsof ik weeën heb', zegt ze. Ik vecht tegen de invallende duisternis en tracht me te concentreren op afritten die ik niet mag nemen.
Dit heb ik niet gehoord. ‘Maar het zal wel niets zijn. Wellicht heb ik vandaag te veel gestapt en is het gewoon spierpijn.’
De boodschap blijft als een worm door mijn kop knagen. Als ik om 3.30 uur word gewekt, weet ik meteen wat er aan de hand is. ‘Om de vier minuten’, zegt ze, chrono in de hand, en ze puft omdat er weer één aankomt. We bellen naar de spoedafdeling van het ziekenhuis in Gent maar vanzelfsprekend kunnen ze niets meer doen dan ons aanraden om zo snel mogelijk een echografie te laten uitvoeren. We hopen dat de weeën spontaan ophouden, maar dat gebeurt niet. De minuten lijken wel uren, en als het eerste licht opkomt, rijdt onze gastheer Christian ons naar het plaatselijke gezondheidscentrum. ‘In Spanje is de gezondheidszorg gratis, maar je moet wel de procedure volgen’, zegt hij. ‘Niet meteen naar een specialist hollen.’
De huisarts van wacht belt naar het kleine ziekenhuis van Cabra. Een uur later ligt Fré aan een infuus dat de weeën zou moeten stoppen. ‘Neen meneer, u mag niet bij mevrouw’, zeggen ze mij via mijn persoonlijke tolk. ‘In de arbeidskamer worden mannen niet toegelaten.’ Voor een volk dat zoveel uitgesneden décolletés op zijn staatszenders programmeert, zijn ze hier verdomd preuts. Christian en ik zitten drie uur in de wachtzaal van de spoedafdeling. Geregeld komen ze zieltogende patiënten in rolwagens en bedden in het midden van de zaal parkeren. ‘Het ziet er hier allemaal een beetje Spartaans uit, maar de medische zorgen zijn wel oké’, sust mijn gastheer. Na de middag mag Fré de kliniek verlaten. Het gevaar is geweken en onze kleine spruit daar vanbinnen stelt het uitstekend.
De moeder van Franco
Amper een paar uur later slaat Fré weer alarm. Ze wist dat het zou gebeuren, zegt ze. Dit keer rijden we op eigen kracht naar Cabra en nu mag ik plots wel naar binnen. De monitor piekt. Een gynaecologe sprokkelt haar moed bijeen om in een paar opgespaarde woorden Engels de situatie uit te leggen. Het zou kunnen dat de weeën nog stoppen maar omdat ze geen aanwijzingen heeft dat dit effectief zal gebeuren, wil ze Fré meteen naar Córdoba laten overbrengen. ‘Hier kunnen we onder de 32 weken zwangerschap geen bevallingen doen’, zegt ze. Het woord is eruit. Alarmcentrale Eurocross drukt mij op het hart geen privéziekenhuis binnen te stappen. Drie kwartier later rij ik bij valavond door een schitterend landschap achter een ziekenwagen aan. Ik weet niets over vroeggeboortes, realiseer ik mij. Seppe was zes dagen te laat. Ik heb ooit een prof geïnterviewd over de academische drang om extreme prematuren in leven te houden, maar ik kan mij met de beste wil van de wereld geen zin van het artikel meer herinneren. Ik hoop dat hij zei dat 26 weken ondertussen een routineklus is geworden. Even later rijden we de pui van het Hospital Reina Sofía op. Zo snel had ik deze stad nu ook weer niet willen terugzien.
Een paar uur nadien loopt de curve van de monitor weer horizontaal. Fré ligt intussen in een bed waarvan ik vermoed dat de moeder van Franco er nog in bevallen is. Dit is toch de universitaire kliniek, wil ik weten. ‘U-ni-ver-si-dad’, spel ik. ‘
Sisi’, antwoordt de verpleegster. Ze kan gelijk hebben.
De weeën blijven drie dagen uit. Tijd zat om ons af te vragen waarom wij geen letter Spaans kunnen en de rest van Spanje geen Engels of Frans. Fré leert een toeristenwoordenboek uit het hoofd. Het stemt het verplegend personeel in het beste geval gunstig maar ze blijven handdoeken en verse lakens als hondenbrokken naar haar hoofd gooien.
Dinsdag. Fré wordt ontslagen en krijgt een
fit to fly van de gynaecoloog, maar niet van Eurocross, dat de repatriëring moet regelen. ‘Dat kan volgens de internationale luchtvaartbepalingen alleen als je vijf dagen zonder weeën bent’, zegt de telefonist. ‘Donderdag brengen we jullie thuis. Probeer in het hotel nog even van de stad te genieten.’ Ik ben euforisch en ga in mijn blote flikker op het balkon staan genieten van de zon die de Mezquita in vuur en vlam zet. Dezelfde nacht maakt Fré mij wakker. ‘Om de drie minuten’, zegt ze.
Niña
Ik rij door de slapende stad als in een nachtmerrie. Door een eenrichtingsstraat. Door vijf stoplichten. (Hoe comfortabel zijn de gevangenissen in Spanje?) Het intakegesprek duurt uren. De nacht gaat voorbij. Druppelsgewijs, tegen een tempo van 0,08 ml Adalat per minuut. Ook de woensdag gaat voorbij. Alleen het puffen niet. Pas laat in de avond brengt een forse gynaecoloog redding. Twee gigantische rode smeltcapsules later kan Fré eindelijk een beetje tot rust komen. En er is nog goed nieuws: zaterdag brengen mijn schoonouders Seppe naar Spanje. De nacht is verkwikkend. Nog een paar dagen duimen, een paar hoofdstukken uit de
Practical conversation guide English-Spanish.Net niet tot aan de ‘m’ van
membrana, ‘vliezen’. Twee dagen later in de namiddag scheuren ze. Een echo wijst uit dat het vruchtwater in de baarmoeder een kritiek peil heeft bereikt. Even later komen opnieuw de weeën op gang. Zachtjes dit keer. Het heeft iets van treiteren. Telkens als de pijn opkomt, gaat de hartslag van ons dochtertje naar beneden. Die van Fré en mij doet het tegenovergestelde. Er verschijnen twee vroedvrouwen, van wie er één Frans spreekt, en drie gynaecologen, van wie er zich één moeiteloos in het Engels kan uitdrukken. Ze overleggen in het Spaans. We proberen hun lichaamstaal te lezen maar ze zijn plots overduidelijk: ‘De baby dreigt de navelstreng plat te drukken, waardoor ze geen zuurstof meer krijgt. We gaan ze laten komen met een keizersnede.’
‘Hoe gaan jullie het kindje noemen?’ vraagt de française. Een vraag als een wee. ‘Nina’, fluisteren we, de enige naam waarover we tot nog toe een consensus konden bereiken. Er was nog zoveel tijd. De Spanjaarden glimlachen.
‘Niña!’ ‘Très beau’, vertaalt de vroedvrouw,
‘En Espagne ca veut dire petite fille’. Klein meisje. De arbeidskamer vult zich in geen tijd met gemaskerde mensen. De neonatologe bekijkt de ECG en knikt zorgzaam. De anesthesist roept:
‘Come on baby, let’s go!’
De deur gaat dicht. Mannen niet toegelaten. Hoe lang duurt een keizersnede? Een uur? Of twee? Ik moet kapot gaan van schrik en onrust, maar ik voel opluchting. Ik bel de halve wereld op. Ik ben nog nooit zo eenzaam geweest.
Twintig minuten later zwaait de deur open. Een tros groene mensen duwt een couveuse voort.
‘ET phone home’, denk ik. ‘1,090kg’, roept de neonatologe.
‘She started breathing herself.’ Mijn doorzichtige dochter leeft! Ik mag mee hollen. We staan voor het eerst in ons leven oog in oog, in een lift. Handjes: check, oren: check, een neus: check. Zelfs een kleine teen, een teennagel.
‘Muy bien’, zegt iemand. Een paar seconden later moet ik voor het eerst in mijn leven afscheid van haar nemen.
In ruil mag ik Fré een verdieping lager eventjes gaan kussen. Een gunstmaatregel. ‘Het komt goed’, zeg ik, en ik meen het. Vervolgens word ik de deur gewezen en dwaal ik door een ziekenhuis dat ondergedompeld is in spookachtig licht. Een paar uren later mag ik terug bij Nina. Er komen buisjes en kabeltjes uit haar lichaam. ‘Het best mogelijke scenario’, is dat. ‘Maar er kunnen nog duizenden dingen mislopen.’
Plots loop ik door de nog slapende stad. Ik wil liefst van al heel Córdoba wakker schreeuwen, maar weet niet of vreugde hier op zijn plaats is. Blijdschap zal moeten aansterken, grammetje per grammetje. Ik wandel de Mezquita voorbij en doe zware beloftes aan alle goden die daar ooit gewoond hebben. Ik kus de receptioniste van het hotel en kan niet wachten tot ik straks Seppe in mijn armen kan drukken.
Levenslang
Er gaan drie weken voorbij. Eerst valt Nina negentig gram af, maar na vijf dagen begint ze ijverig te sparen. ’s Avonds mogen we haar een kwartiertje vingertjes geven, door het werkgat van de couveuse. De andere twee bezoektijden moeten achter glas. Een maatregel waar het verplegend personeel in het UZ Gent later van zal gruwen. Aangezien Seppe na vijf dagen terug naar België vertrokken is, is het elke dag aftellen, alleen weten we niet hoelang. Eén gezin, verspreid over drie plaatsen, dat is te veel.
In de ochtend van 14 mei komt daar plots een einde aan. Ik ben net voor de tiende keer verhuisd als Eurocross meldt dat zowel de artsen in Spanje als het UZ Gent het licht op groen hebben gezet voor een repatriëring. Een Oostenrijks team zal Nina en Fré morgen komen oppikken met een speciaal ingericht vliegtuig. Voor mij is een ticket op een SN vlucht geboekt. Maar ook zonder vliegtuig zweef ik. Fré is er minder gerust op. Een dag later neem ik door de achterruit van een taxi afscheid van Córdoba. De naam die een leven lang op Nina’s identiteitskaart zal staan. Een leven en drie maanden.
Het Nieuwsblad, 09/06/2007
Labels: cordoba, fré, nina, seppe, verhaal