Een beminnelijke schikking (1/3)
Wantrouwen is dodelijkZe keek mij aan alsof ik net had verklaard dat ik een vaccin had uitgevonden dat nog dit jaar hiv de wereld zou uithelpen. Maar dan met meer medelijden.
“Wàt heb je gezien, zeg je?’’
“Ik heb daarnet een krokodil de steenweg zien oversteken. Ik kwam van bij de bakker. Ze kwam tevoorschijn uit het maïsveld, aan de linkerkant van de weg, en schoof naar het gemaaide tarweveld, aan de andere kant. Daar is het beest tussen het hoge gras in de sloot verdwenen. Groen. Het was groen. Een beetje zoals mijn t-shirt. Ik ben op de rem gaan staan en zelfs nog even gestopt, maar ik heb niets meer gezien.”
Weerom stilte. Een decor waarin ongeloof goed gedijt.
“Was het zo laat gisteravond?”
Tien seconden. Goed gegokt. Waarom hebben agenten van politie voortdurend de neiging om elk feit meteen af te wegen aan een mogelijk alcoholprobleem van een van de partijen? “Mevrouw is verkracht? En had u gedronken?”, “U staat verkeerd geparkeerd. Kan u hier even in blazen?”, “Goedemiddag, u bent al drie maanden over tijd met het betalen van uw elektriciteitsfactuur. Neen dank u, ik mag niets drinken, ik heb dienst. Of toch, een kleintje.” Alsof alcohol alles oplost.
“Niet later dan anders. Ik heb naar
Antonia zitten kijken. Een film waarin Dora Van Der Groen zichzelf speelt en dan doodgaat. Met Willeke Van Ammelrooy en Els Dottermans. Ik hou van chic pics waarin alle mannen slecht zijn, behalve Jan Decleir. Dat maakt de dingen simpel. Maar ik verlies er wel het uur door uit het oog. Ben jij ook zo moe?”
“En hoe groot...?”
“Een lange meter, denk ik. Zo.”
“Ben je er achter aan gegaan?”
“Ik ben bang van dieren die voor mij op de vlucht gaan. Dat lijkt mij geen goed begin voor een relatie. Dat zou jij als agent moeten weten.”
“Ben je zeker dat het geen muskusrat was, dan? Het is vroeg, de zon staat laag.”
“Een muskusrat.”
“Dat kunnen grote beesten zijn.”
“Een meter... Het was een krokodil. Of een hagedis.”
“Een hagedis van een meter?”
“Leguanen kruipen vlotjes over een meter, schat. Leguanen zijn hagedissen. En varanen en skinken. Ratten niet. Hoop ik.”
“Hihi. Mannen zijn mietjes.”
“Omdat ik ’s zondagsmorgens naar de bakker ga om verse broodjes?”
“Neen, omdat je nu beslist niet meer durft te gaan joggen in de buurt waar je dat beest hebt gezien. Uit schrik dat het plots voor je Nikes zal opduiken. En je zal opvreten. Zoals ik. Nu.”
“Je bent grappig. Moeten we nu geen actie ondernemen? Kijken of iemand een kooi heeft laten openstaan? Een buurtonderzoek, een klopjacht met behulp van de scouts? Alarmeer je collega’s. Iets.”
“Ik hou van je als je zo hulpeloos doet, weet je dat?” Ze trok me bij mijn broeksriem door het openstaande keukenvenster op het terras.
“Ik heb niet gedoucht. Mijn tanden niet gepoetst. Ik ben wakker geworden, opgestaan, in mijn broek gesprongen en vervolgens in de auto en dan ben ik meteen weggereden.”
“En toen heb je een krokodil gezien.”
“Vind je het vreemd dat mensen de hele tijd door memmen over het onveiligheidsgevoel als ze niet au sérieux genomen worden?”
“Ik wil je heel ernstig nemen”, zei ze nog. Waarna ze zich met heel haar gewicht tegen mij aan wierp zodat ik zonder verweer in het gras terechtkwam. Ju-jitsu, veronderstel ik, daar krijgen ze bij het lokale korps toelages voor. Met haar bovenop mij. Ze doet veel te graag gek als ze geen dienst heeft. Ik kan wel wat hebben, maar ze wist nooit van ophouden. Geen maat. Het moest verkeerd aflopen.
Ze knoopte mijn broek los en boog zich over mijn kruis. Voor ik mijn ogen sloot zag ik nog net hoe een schaduw over haar heen kwam. Ze slaakte een kreet die onmiddellijk smoorde in het bloed en greep naar haar keel. Ik ben opgestaan en ben weggerend. Ik ril van die beesten.
Het had nochtans zo lekker kunnen zijn.