Karel
Het scheelde weinig of ik kon op de lucht lopen. Dikke drab, waarin mijn benen bleven vastzitten. Bij elke beweging had ik schrik dat niet alleen mijn voetstappen zouden achterblijven maar meteen mijn hele voet. Op stompen lopen zou pijn doen. Ik had mij dat proberen voor te stellen.
Maar je moet realistisch zijn, dacht ik. De kans dat een dag memorabel blijft voor meer dan een reden tegelijk is kleiner dan dat het plots gin-tonics zou beginnen te regenen. In van die hoge, smalle glazen, die tot de rand gevuld zijn met ijsblokjes. (Niet van dat crushed ice, dat al van halverwege terug samenklontert, maar van die vriendelijk, frisklinkende blokjes. Met een kwartje citroen.) Dat was gisteren.
Vandaag danste de hitte over het asfalt. Wie wist wat er nog kon gebeuren? Mijn lijf droop van het zweet. Ik kon geen kleren verdragen en mijn kruis woog als lood. Ik was wellicht beter thuis gebleven, maar daar was niemand en ik zag de muren op mij afkomen. Dan is het nog beter dat je vertrekt, vond ik. Ik heb mij daar zelf ook moeten van overtuigen, eerlijk. Maar nu kon ik met kennis van zaken zeggen dat het klopte. Buiten heb je meer kans dat er eens iets prettigs gebeurt. Iets, tout court. Soms zal het iets onbenulligs lijken, waarvan een leek met een ongeoefend oog voorbarig ontmoedigd zou geraken. Misschien schopt hij het weg. Of springt hij in de rivier, hier vlakbij. Een boot, een schroef en het is voorbij. Terwijl dat kleine voorvalletje de aanzet van iets helemaal anders had kunnen zijn. Dat is toch jammer. Al die onbenutte kansen. Iemand zal die aanrekenen, ik ben daarvan overtuigd.
Op de landweg was geen mens te zien. De lucht was hoog en blauw en ik had de indruk dat ik kilometers in het rond kon kijken. Niets. Behalve de rietkraag, even verderop, die de oever van de stroom aangaf. Als er een aak voorbijkomt, zal ik het van hieruit niet eens merken, realiseerde ik mij. En een betonnen brug. Ze stond plomp verloren in het landschap. Ik had niet de indruk dat ze ergens toe diende. Behalve misschien om er de rivier te laten onder voorbijstromen. Ik mocht aannemen dat het ook voor een rivier aangenaam is om geregeld eens iets anders mee te maken dan riet of een kikker, een eend of wat houdt er zich allemaal op bij een oever. Een dode vis. Bij gebrek aan iemand om een kei te verleggen in het troebele water was volgens mij alles meegenomen.
Ik liep naar de brug. Het was zowat de enige plek waar schaduw kon zijn. Meestal zijn onder betonnen bruggen van die betonnen hellingen die oplopen vanaf het jaagpad, tot aan de onderkant van de brugboog. Daar kan je dan gemakkelijk opklimmen. Vandaar zou ik de boten zeker zien voorbijkomen. Oké, er was een zeker risico dat er onderwijl duiven op mijn kop zouden schijten, maar er was toch niemand om daar vervelende opmerkingen over te maken. Duiven nesten graag op de betonnen dwarsliggers van een brug. Al is dat natuurlijk relatief op een plek waar in de wijde omtrek geen boom te zien was. Maar het zou beslist kunnen kloppen. Ik stond ooit voor een ophaalbrug. Toen het wegdek de hoogte in steeg, zag ik op de metalen poutrels jonge doffers met hun duivinnen druk druk hun nesten bij elkaar weven. Ze vlogen af en aan met takken en twijgen, behendig de afstand tot hun bewegende landingsplaats inschattend. Grappig om te zien. Blijkbaar maakt het hen dus niets uit waaruit de ondergrond van hun woning is opgetrokken, daar komt het op neer. Bovendien lieten ze het ook over zijn kant gaan dat hun onderkomen om de haverklap op en neer ging om weer een jacht of een woonark of iets dergelijks voorbij te laten. Zoveel gedoe in huis vind ik eerlijk gezegd ook maar vervelend.
Hoe dichter ik bij de brug kwam, hoe meer ik mij bewust werd van een irriterend geluid dat zeurend in de lucht was komen hangen. Bij nader toehoren, verdween het bij tussenpozen om dan onmiddellijk erna weer heviger aan te zwellen. Het leek wel het gehuil van een roedel wolven. Dat zou pas opwindend zijn. Verscheurd worden door wolven. Niemand zou me geloven. Ik werd een beetje bang. Ergens moest ik er blijkbaar toch rekening mee houden dat er gevaar dreigde. Hoe belachelijk dat ook klinkt in een landschap met een zon, een brug en een rietkraag. Van Gogh liet hier zijn oor voor.
Ik stapte in de slagschaduw van het bouwwerk en moest mijn ogen sluiten. Onder mijn oogleden copuleerden misvormde insecten tussen veelkleurige bollen. Dit was het geschikte moment voor een wolf om mij in de rug aan te vallen. Ik sloeg mijn handen voor mijn oren. Het gehuil vulde de hele ruimte onder de brug en weerkaatste honderdvoudig tegen de betonnen wanden. Ik knipperde met mijn ogen om aan de duisternis te wennen en merkte bijna terloops dat het water mij naar zich toezoog. Waardoor ik achteruit strompelde – ik wil niet dood! – en tegen Karel aanschopte. Het gejank ging abrupt over in snakkend geblaf. Zijn witte tanden weerkaatsten het verre zonlicht en lichtten op in het scherpe zwart. Ik schrok en viel achterover. Zijn kaken haakten nog net in mijn rechtervoet. In een reflex trok ik mijn knie tegen mijn borstkas en rukte hiermee mijn grote teen volledig af.
De hond keek even verbaasd als ik. Het bloed droop van zijn kin. Ik had me wellicht beledigd moeten voelen toen hij mijn teen vervolgens achteloos uit zijn bek liet rollen en opnieuw begon te huilen. Waarom at hij het ding nu niet eerst op? Ik vermoed dat er nadien beter mee te leven viel als je weet dat je afgerukte lidmaat ergens nog een behoefte heeft gelenigd. Als jonge ouders een kind verliezen in een auto-ongeval, dan hebben ze ook altijd graag dat er nadien een verkeersdrempel wordt aangelegd. Dan is het tenminste niet voor niets gestorven. Die troost werd mij bespaard.
Karel hief zijn kop omhoog en jankte. Het beton spleet. Ik kreeg er koppijn van. Mijn slapen bonkten aanhoudend. Het deed mij eraan denken dat ik wellicht ook pijn in mijn voet moest voelen, maar hoe ik mij ook op mijn gebrek concentreerde, daar voelde ik niets. Ik zag alleen hoe het bloed uit een gat gutste en in een meanderend beekje naar de rivier stroomde. Voor het in de rietkraag verdween, mondde het weliswaar nog uit in een bredere bloedstroom, die uit een andere richting scheen te komen. De bedding ervan was al wat geronnen. Ik volgde stroomopwaarts en kwam aan de achterhand van de hond terecht. Het dier was er maar voor de helft. Van aan zijn middel gaapte een open wonde. Daar waar zijn linker achterpoot had moeten zitten, lagen allerlei organen bloot. Zijn rechter achterpoot was bij het kniegewricht geknakt en lag voor een deel onder wat van zijn lijf overbleef. Zijn staart was verdwenen. Er restte hem niets anders dan wat hulpeloos luchthappen. Naar duizend vliegen die zijn open balg hadden ingenomen zoals een kleuterklas een pas ontsloten speeltuin.
Arme hond, dacht ik. Wie heeft je zo geslagen? Ik wou hem ook aaien. Dat leek mij een aardig gebaar om mijn verbondenheid met het dier te onderlijnen. Zijn uiteengereten lijf verhinderde hem echter om nog logisch na te denken en het verschil te zien tussen iemand die hem dit had aangedaan en een vriend. Een lotgenoot. Een verminkte, zoals hijzelf. Toen ik mijn hand naar zijn hoofd bewoog, dacht hij wellicht dat ik een vlieg was en hij beet verbazend accuraat in mijn rechterhand. Met één knauw ging hij door enkele botjes van mijn middenhand en trok vervolgens zijn nek in. Alsof hij zich schaamde voor zijn gebrekkige manier van converseren. Mijn pink hing nog slechts met wat vel en enkele zenuwen aan mijn hand vast. Het bloed liep over mijn dijen naar mijn geslacht.
Een naam, dacht ik. Ik moet hem een naam geven. Welke daad is er sterker om te bewijzen dat je om iemand geeft dan hem te benoemen? Zodat er voortaan geen twijfel meer bestaat. Geen verwarring. Een definitie van een vriend. Karel leek mij een mooie naam.
Door zijn verwondingen kon ik alleen maar gissen naar zijn sekse. Zijn manier van doen leek mij mannelijk. Niet dat ik eerder al ervaring had met panische teven, maar ik vermoedde dat ze hun prooi op zijn minst langer zouden vasthouden. Karel dus. En mocht het toch een vrouwtje zijn, dan was het zeker een unieke naam.
Karel, zei ik zacht. En hij retourneerde mijn liefkozing met een blik. Die droevig was, en niet langer van haat sprak. De afdronk van zijn beproeving.
Ik voelde geen pijn meer. Nog minder. Pijn wordt opgeheven door meer pijn. Tot het voorgoed ophoudt.
Karel likte lusteloos aan de plas bloed waarin hij lag. Het was nu niet meer belangrijk wiens bloed. Vooraleer zijn kop viel, gromde hij zachtjes naar een aak die voorbijgleed. Ik probeerde mijn lichaam in de richting van het water te slepen en te zwaaien naar de schipper. Maar er zwaaide niemand terug.