Faits divers
Er gaat een schok door het hele treinstel. Het deksel valt tegen het ritme in, en met een vinniger tik op het metalen bakje. Geschrokken draai ik mijn hoofd om en kijk recht in de ogen van de man. Ze zijn bloeddoorlopen (maar dat is ook de enige informatie die ze prijsgeven). Gegeneerd draai ik mijn ogen weg naar de vloer. Om mij een houding te geven, raap ik mijn krant op, die van de schok van mijn schoot is gegleden. Ze is nog precies geplooid zoals ik ze vanochtend bij het verlaten van het station moet hebben weggestopt. Het stuk op pagina 5 is nu plots het hoofdartikel van Il Messaggero. Dat het tussen de faits divers van de Romeinse binnenstad terechtgekomen is, doet vermoeden dat mijn Italiaanse collega’s op de vloer van het Pantheon al vaker met een lijk zijn geconfronteerd geweest. “Gewenning is de oorzaak van ons cynisme”, hoor ik mezelf prevelen. Waar ik het vandaan haal, weet ik niet. Ik kijk snel naast me om te zien of de dompelaar mijn gedachtengang heeft gevolgd maar hij is door het wiegen van de trein blijkbaar in slaap gevallen. Het is misschien zijn eerste warme bed sinds dagen.
Er dansen weer van die zwarte vlekken voor mijn ogen. De hitte is ondraaglijk. Ik schuif naar het uiteinde van de bank en zie dat de hendel die de verwarming regelt volledig is opengedraaid. “Niet doen,” denk ik, “smalltalk met een postbode is werkelijk het laatste wat je nu wil.” In plaats daarvan sta ik recht en probeer het venstertje open te klappen. Natuurlijk knelt het ding. Ik probeer opnieuw. En nog. Het zweet parelt op mijn voorhoofd. Ik ruk nog eens en het valt me nog net op dat in het landschap, dat aan de andere kant van de ruit voorbij schuift, geen enkel lichtpunt meer te zien is. De cadans van de trein wordt overstemd door een snerpend geraas. Kleverige mist dringt binnen. Ik krijg geen adem meer. Is er tussen Denderleeuw en Oudenaarde al ooit een trein ontspoord? Iemand probeert mij nog bij de schouders te grijpen, maar net zoals bij de Chinees gisteren komen de handen van mijn vanger te laat.